|
Samenvattingen
nummer
4 jaargang 19 2003
Visser | Duchamp/Leonardo
| Jong
Podium
|
Media
|
Cor
Blok
Reality
studio
Over Barbara Visser
Sven Lütticken
Barbara
Visser speelt in veel werk met de noties van origineel en kopie. Zo heeft
zij een reeks foto's gemaakt in wassenbeeldenmusea, en in de tentoonstelling
A Day in Holland / Holland in a Day presenteerde zij foto's gemaakt in
Huis ten Bosch Stad, een pseudo-Hollands themapark bij Nagasaki. De vraag
dringt zich bij Visser voortdurend op of die kopieën zich goed gedragen,
recht doen aan het origineel, of dat het om slechte kopieën gaat,
om bedrieglijke, vervalsende tekens, die het origineel verzwelgen in een
draaikolk van bedrog. In de loop van de jaren negentig werd steeds duidelijker
dat Visser streeft naar het laten muteren van beelden, naar het introduceren
van afwijkingen in een voorbeeld door middel van 'slechte' kopieën.
Zo is True Lies (1994/1995) de projectie van een video die Visser in een
bioscoop heeft opgenomen; zij heeft de camera dusdanig op (delen van)
het doek gericht dat de film (James Camerons True Lies) wordt getransformeerd
in een bijna abstract lichtballet. Vissers True Lies is een kopie annex
remake die volledig de wetten van het actiegenre ondermijnt waaraan het
origineel gehoorzaamt. Het kopiëren van het voorbeeld leidt tot iets
dat aan eigen wetten gehoorzaamt.
Bij herhaling heeft Visser acteren als vorm van bedrog centraal gesteld.
Een van haar meest bekende en meest rake werken is haar optreden in de
Litouwse televisiesoap Gimines als de kunstenares Barbora [sic] Visser
(1995). Vanuit huidig perspectief is dit werk welhaast een profetische
aankondiging van het steeds verder vervagen van de grens tussen het privé-leven
en de rollen van de sterren, maar ook van kunstenaars. Kunstenaars zijn
immers ook steeds meer gemediatiseerde actors geworden, performers van
hun eigen carrière. In Schoonheid is de triomf van de geest over
de feiten (2003), een dubbele DVD-projectie op twee 'rug aan rug' hangende
projectieschermen, staat de relatie tussen kunstenaarschap, bedrog en
acteren centraal. In de ene projectie zien we ene meneer Van Watermeulen
praten over een brief die hij aan ene Neuman heeft gestuurd, die wegens
oplichting in de gevangenis zit. Op de andere projectie is Neuman te zien.
Beiden worden gespeeld door dezelfde acteur. Neuman zou vast zitten omdat
hij mensen stukken grond op de maan heeft verkocht. Van Watermeulen, de
acteur, voelt zich verwant met de bedrieger Neuman, wiens leugens anders
dan die van de acteur niet cultureel zijn gesanctioneerd. En is Neuman
eigenlijk niet ook een conceptueel kunstenaar? Hij heeft immers 'een idee
verkocht', en waarom zou dat strafbaar zijn?
Vissers werk ontstaat in een overgecodeerde cultuur waarin coulissen van
tekens een prettige anesthesie bewerkstelligen. Haar fotoreeks The World
Belongs to Early Risers (2002) onderzoekt de absurditeit van de dubbele
status van de mediterrane kust als welvarende vakantiestreek en als grens
van het 'Fort Europa'. Op een van de foto's blijkt een fotograaf met assistenten
een opname van een verdronken vluchteling op het strand te maken terwijl
op de voorgrond een badgast onverstoorbaar ligt te zonnen. De serie toont
een wereld waarin de lectuur van kranten geen invloed heeft op de loop
der dingen; het is een schijnwereld die niemand voor de gek houdt (iedereen
is immers 'goed geïnformeerd') en toch blijft doordraaien. Ook een
werk als The World Belongs to Early Risers zal daar uiteraard niet snel
iets aan veranderen. Toch maakt Visser beelden die bijdragen aan een kritische
openbaarheid, zonder daarvoor het karakter aan te nemen van eenduidige
statements. Haar slechte kopieën werken mee aan het instandhouden
van afwijkende enclaves in de universele reality soap.
(naar top pagina) | (terug
naar inhoud)
Duchamp/Leonardo
De transmutatie van een uniek project
Frank Reijnders
In
de tekst wordt Marcel Duchamp opgevoerd als een kunstenaar die in het
begin van de twintigste eeuw heeft geprobeerd een ander spel te introduceren
dan dat van de moderne hang naar echtheid en authenticiteit. Het was Duchamp
volkomen duidelijk dat authenticiteit in objectieve zin niet bestaat,
dat het gaat om een inzet, een bewuste enscenering.
Eerder dan als een avant-gardist wordt Duchamp hier gepresenteerd als
iemand die zich juist sterk aangetrokken voelde tot het premoderne. Het
ging Duchamp hierbij echter niet om restauratie. Elke weg terug achtte
hij volkomen geblokkeerd. Waar het Duchamp om ging was transmutatie. Zijn
grote voorbeeld was Leonardo da Vinci.
Anders dan de kubisten van Puteaux, met wie hij zijn fascinatie voor Leonardo
deelde, raakte Duchamp niet zozeer geïnteresseerd in Leonardo's vermeende
actualiteit, als wel in het feit dat hij volkomen uit de tijd was. Precies
dit gegeven gaf Duchamp de mogelijkheid om Leonardo's theorie en praktijk
een compleet andere gedaante te laten aannemen. Wat Duchamp hierbij voor
ogen stond was een reeks activiteiten waarbij schilderkunst, wetenschap
en techniek niet van elkaar werden los gemaakt. Net zoals bij Leonardo
het geval was. Maar Duchamp besefte tegelijkertijd dat hij 'de schilderkunst'
los diende te maken van de schilderkunst wanneer hij haar opnieuw in het
spel wilde brengen. Duchamp was van mening dat het onmogelijk was geworden
om de schilderkunst zonder meer te continueren. En hetzelfde gold voor
de wetenschap en voor de techniek. Wanneer Duchamp sommige experimenten
van Leonardo hernam, gebeurde dat steeds vanuit een positie die tegenovergesteld
was aan die van zijn voorganger.
Al vroeg zag Duchamp het weergeven van ideeën in aantekeningen als
een legitieme vorm van artistieke productie. De Boîte de 1914 is
direct geïnspireerd door de manuscripten van Leonardo. Er volgden
nog twee dozen met aantekeningen, die stuk voor stuk betrekking hadden
op The Large Glass. Ook de wijze waarop Duchamp in dit werk experimenteerde
met nieuwe technieken en materialen brengt Leonardo in herinnering. Met
dit en andere voorbeelden is getracht de enorme aantrekkingskracht die
Leonardo's manier van denken en werken op Duchamp uitoefende te documenteren.
Een geheime aantrekkingskracht, want over zijn voorbeeld was Duchamp zelden
expliciet.
(naar
top pagina) | (terug
naar inhoud)
Jong
Podium
Maison d'Artiste, reconstructie van een verdwenen maquette
Mick Eekhout, Monique Suttorp, Joris Braat, Ronald Visser
Onder
leiding van professor dr. ir. Mick Eekhout hebben vier groepen van tweede-
en derdejaars studenten de bouwtechnische aspecten van het beroemde Maison
d'Artiste bestudeerd; een ontwerp van Theo van Doesburg (1881-1931) en
Cor van Eesteren (1897-1988) uit 1923. Op een expositie van De Stijl werd
het ontwerp als een maquette (schaal 1 op 50) getoond. Sindsdien is het
altijd een icoon van de Moderne Architectuur gebleven. De kartonnen maquette
heeft echter de tand des tijd niet doorstaan en is verloren gegaan. Naar
alle waarschijnlijkheid maakte Van Eesteren gevel- en plattegrondtekeningen
en Van Doesburg isometrische tekeningen die voorzien waren van kleur,
zogenaamde 'contra-constructies'. Van de oorspronkelijke maquette zijn
acht foto's bewaard gebleven. Aanvankelijk richtte de aandacht van de
studenten zich op de eigentijdse materialisering en bouwtechnologie: hoe
zou dit 'droomhuis' gerealiseerd kunnen worden? In 2002 hebben twee groepen
van studenten de werkelijke maatvoering en de aangebrachte kleurcompositie
gereconstrueerd, teneinde een prototype schaal 1 op 5 te kunnen bouwen.
Tegelijkertijd werd duidelijk dat op geïnspireerd onderwijs verassend
en baanbrekend onderzoek kan volgen. Met behulp van fotogrammetrie werd
nagenoeg de complete maatvoering van de oorspronkelijke maquette herleid
met een nauwkeurigheid van 99%. Deze resultaten weken 15% af in vergelijking
met eerdere reconstructies. Metingen met behulp van een colorimeter leverde
een compleet andere kleurcompositie op dan aanvankelijk werd aangenomen:
zo bleek de centrale toren niet zwart, maar vuurrood geweest te zijn!
De kleuren bleken eerder een artistieke dan architecturale compositie.
De reconstructie van de kleurcompositie lokt een publiek debat uit. Nadat
deze gegevens waren vastgelegd ging een andere groep studenten aan de
slag om de nodige werktekeningen en details te vervaardigen voor het prototype
schaal 1 op 5: een imposant model van 4 x 4 x 4m. Bijgestaan door vaklieden,
heeft deze groep het staalskelet gelast, verzinkt, gepoedercoat, de wanden
gemonteerd, beglaasd en gesiliconeerd. Vanaf december 2003 / januari 2004,
zal het prototype in volle glorie te bewonderen zijn op de faculteit Bouwkunde,
TU Delft.
(naar
top pagina) | (terug
naar inhoud)
De grote verdwijntruc
Media en de esthetische perceptie van de werkelijkheid
Frits Gierstberg
Wij
kijken naar de media zoals televisie alsof zij een volkomen transparant
venster op de wereld bieden. De fotografie was het eerste medium waarbij
het beeld als echt werd ervaren. De film was nóg 'echter' dan fotografie.
De televisie zou de sensatie van echtheid ten opzichte van de filmervaring
nog een stuk vergroten, doordat zij ook live beelden kon genereren. De
veel makkelijker hanteerbare en beweeglijke video deed daar vanaf het
midden van de jaren zeventig nog een schepje bovenop, om wat directheid
en onmiddellijkheid betreft eind jaren negentig te worden 'ingehaald'
door de webcam. Het fenomeen van telkens realistischer wordende mediatechnieken
die elkaar opvolgen wordt uitgebreid beschreven en geanalyseerd in het
boek Remediation. Understanding New Media (2000). De auteurs Bolter en
Grusin signaleren een historisch verschijnsel waarbij de veronderstelde
echtheid van een bestaand medium telkens door een nieuw medium wordt overgenomen.
Daarbij neemt ieder nieuw medium een aantal cruciale eigenschappen van
het oude medium over. Zij noemen dat 'her-mediëren' (to remediate).
De media hebben anno 2003 in de vorm van reality-tv en de on-line camera
het alledaagse als spektakel en het private als sensatieonderwerp ontdekt.
De reality-stijl wordt bewust als een soort special effect toegepast om
kijkers te trekken. Nieuwe benaderingen in de documentaire film worden
gekenmerkt door onder meer de combinatie van gedramatiseerde, nagespeelde
of in scène gezette delen. Men spreekt van fictionele documentaire
of 'docudrama' en van op 'feiten' gebaseerde speelfilm of de fictionary.
Steeds meer fotografen en met fotografie werkende kunstenaars houden zich
bezig met het scheppen van artificiële beelden in een stijl die stilistisch
is gerelateerd aan de documentaire traditie. Opvallend is het werk van
een aantal fotografen dat de analoge mogelijkheden van de camera gebruikt
om tot documentaire beelden te komen die evenwel de indruk wekken volledig
kunstmatig te zijn. Het zou kunnen dat de tendens om 'artificiële'
beelden te maken uitgaande van de realiteit mogelijk is geworden dank
zij de acceptatie van de documentaire fotografie als kunstvorm, maar ook
als gevolg van een veranderende omgang met een realiteit die zelf steeds
kunstmatiger wordt.
We zijn inmiddels gewend geraakt aan de progressie van kunstmatige werkelijkheidsbelevingen.
Recente onwikkelingen leiden ertoe dat de media ons dagelijks leven niet
alleen wat kwantiteit van media-uitingen betreft domineren maar dat zij
ook in technologische zin onze 'natuurlijke' omgeving zijn. 'Nieuwe media'
zijn in staat volledig kunstmatige werelden te doen onstaan die wij als
echt ervaren. De versmelting van media en de technieken die interactiviteit
mogelijk maken, vormen tezamen de basis van virtual reality-technieken.
Speculaties over de toekomstige toepassingen van mediatechnologieën
die op dit moment worden ontwikkeld, spitsen zich toe op onder meer enhanced
reality en hyperreality. De door ons via onze zintuigen waargenomen werkelijkheid
kan bij deze technieken door de computer worden 'verbeterd' of aangevuld.
Het moge duidelijk zijn dat vraagstukken omtrent 'echt', 'authentiek'
of 'representatie' op dat moment volstrekt achterhaald zullen zijn. Zowel
wijzelf als de realiteit zijn dan immers opgegaan in het medium.
(naar
top pagina) | (terug
naar inhoud)
Beeldvertalen.
De werking en interpretatie van visuele beelden.
Cor Blok, Amsterdam (Amsterdam University Press) 2003, 272 pp., afbn.
in kleur en zw.w., € 24.95.
Marga
van Mechelen
Marga van Mechelen is verbonden aan de afdeling Kunst- en Cultuurwetenschappen
van de Universiteit van Amsterdam.
Toen
ik januari 1973 mijn propedeutisch examen kunstgeschiedenis haalde, kreeg
ik als cadeautje van mijn echtgenoot de Nederlandse vertaling van Kunst
en Illusie. De psychologie van het beeldend weergeven. Kennelijk vond
mijn man, zelf beeldend kunstenaar en 'opgevoed' door Gombrich' Eeuwige
Schoonheid, terwijl ik net mijn Janson-examen achter de rug had, dat dit
het juiste moment was om onder de vleugels van Gombrich te leren kijken
en de werking van beelden te leren begrijpen. In de Wereldgeschiedenis
van de kunst en ook in mijn opleiding - tot dat moment - was dat maar
bijzaak. In de loop van de tijd is er een plankje Gombrich-literatuur
in mijn bibliotheek gegroeid en op dat plankje komt nu, naast Kunst en
illusie, Cor Bloks Beeldvertalen. De werking en interpretatie van visuele
beelden. Een titel die ik graag zou willen veranderen in Beelden in twee
en drie dimensies. Hoe ze werken en hoe we ze identificeren. Dit laatste
begrip 'identificeren' heeft mijn voorkeur om redenen ooit door Panofsky
uiteengezet. Ook dat 'ze' en 'we' is belangrijk, omdat het boek een generalistische
benadering heeft, althans zeker in de eerste hoofdstukken. Dat komt tot
uitdrukking in de titels van de hoofdstukken ('Kijken naar beelden'; 'Voorstelling
en beeldopbouw'; 'Waarnemen in drie dimensies'; 'Ordening' etc.), maar
ook door de keuze van de meest uiteenlopende voorbeelden en niet in de
laatste plaats door het gebruik van de pluralis - wij -, die consequent
wordt volgehouden. Ook de nadruk op de specifieke visuele kwaliteiten
van twee- en driedimensionale objecten is kenmerkend voor dit boek. Vandaar
dus de voorkeur voor een wat andere titel. In tegenstelling tot Gombrich
heeft Blok als kunsthistoricus van een jongere generatie de aandacht verlegd
van de producent naar de recipiënt. Hij heeft voor een titel gekozen
die ondubbelzinnig de activiteiten en het vermogen van de kijker centraal
stelt.
Gezien mijn eigen achtergrond vroeg ik me al snel na lezing van de eerste
hoofdstukken af: 'voor wie is dit boek geschreven?'. Voor de student Kunstgeschiedenis,
die zijn propedeuse heeft gehaald? Voor de leerling in het voortgezet
onderwijs die een CKV vakkenpakket heeft en misschien wel kunstgeschiedenis
wil gaan studeren? Voor studenten met een interesse voor cultuur maar
die toch niet zo goed weten hoe beelden werken? Voor de 50-plussers die
met grote interesse tentoonstellingen en musea bezoeken en zich wat meer
willen verdiepen in de waarneming en identificatie van beelden? Deze vragen
maken mij nieuwsgierig naar de antwoorden die de auteur en de uitgever
daarop zouden geven. Maar nog meer interesseren mij de bevindingen van
eventuele lezerscategorieën. Ik zou het elke student kunstgeschiedenis
willen aanraden, hoewel ik weet dat deze stof al in modules als 'visuele
analyse' aan de orde komt en ondanks het feit dat ik er wel enige kritische
kanttekeningen bij zou willen plaatsen. Cor Blok, inmiddels emeritus hoogleraar
kunstgeschiedenis, heeft toen hij nog aan de Rijksuniversiteit Utrecht
werkte het vak 'visuele analyse' geïntroduceerd. De betrokkenheid
bij het onderwerp is dus al van lange duur. In de loop van de tijd heeft
hij ongetwijfeld een groot archief aan zeer uiteenlopende voorbeelden
kunnen vergaren, waar hij voor dit boek uit geput zal hebben.
Voor een scholier is een dergelijk boek een hele klus, niet omdat het
moeilijk is geschreven, zeker niet, maar gezien de omvang; ze zouden er
wel een jaar over doen. Gewend als ze zijn aan thematische keuzes en capita
selecta, zou dit boek even wennen zijn. Minder moeite zouden ze ongetwijfeld
hebben met de sprong van heden naar verleden, van het Japan van nu naar
Egypte van toen, van stripverhalen naar middeleeuwse geïllustreerde
manuscripten. De didactiek is van dien aard dat iedereen zonder al te
veel moeite bij de les kan blijven. Ik denk overigens dat het boek meer
succes heeft bij de twee laatste groepen. Sinds kort behoor ik ook tot
die laatste categorie en omdat ik het boek in mijn vakantie las, heb ik
het ook een beetje door die bril kunnen bekijken. Maar op de eerste plaats
las ik het toch als kunsthistoricus die veelal kiest voor (psycho)semiotische
benaderingen van beelden en zich verdiept heeft in de historiografie van
het vak. Met die professionele insteek behept, ging het boek hoe verder
ik vorderde, me meer boeien. Voor mij wordt deze stof pas echt interessant
als het niet meer van zelf spreekt hoe beelden werken en hoe ze te interpreteren
zijn. Als duidelijk wordt hoezeer culturen en historische ontwikkelingen
een factor van betekenis zijn in de lezing van beelden. Als er zich problemen
voordoen waarop niet een pasklaar antwoord te geven is. Opmerkelijk genoeg,
maar ook weer niet zo verbazingwekkend, wordt in dit boek dit punt bereikt
als de werking van de kleur aan de orde komt. Het is altijd weer de kleur
die niet alleen kunstenaars maar ook historici en semiotici in verwarring
brengt. Zoals Julia Kristeva in haar opstel over De vreugde van Giotto
constateerde: kleur is relatief onafhankelijk ten opzichte van de modellen
die we voor de verbale communicatie hanteren en om die reden is een benadering
die de schilderkunst analoog aan de taal bestudeert, onhoudbaar. Kleur
staat centraal in Beeldvertalen in een hoofdstuk met de veelzeggende titel
'For your eyes only' en een paragraaf getiteld 'Plezier en twijfels rond
kleur', waarin hij het dilemma van kunstenaars schetst: kleur verleidt
en geeft plezier maar kunst wil meer. Kunst wil het oog bedriegen, de
verbeelding prikkelen en niet slechts amuseren met opwindend kleurenspel.
Even wordt hier de generalistische aanpak los gelaten. Blok merkt dat
zelf ook op door deze paragraaf te besluiten met: 'Wat over kleur te zeggen
valt, geldt vrijwel altijd binnen bepaalde historische beperkingen. Daarom
is het aandeel van de (kunst)geschiedenis in dit hoofdstuk groter dan
in het voorgaande' (p. 174). En die generalistische opzet komt ook in
de twee laatste, semiotisch of communicatietheoretisch geïnspireerde
hoofdstukken niet meer in die mate terug. Hoofdstuk 8 gaat over beelden
als betekenisdragers, nog altijd een discutabel begrip voor 'teken', 'betekenaar/signifiant',
of 'tekenfunctie'. Hoofdstuk 9 heet 'Beschrijving, analyse, interpretatie'
en roert diverse kwesties aan: meer impliciet het probleem van de intentionaliteit
door de rol van voorkennis aan de orde te stellen tegenover de noodzaak
van de verbeeldingskracht, daar waar de voorkennis niet toereikend is
en het beeld ons voor raadsels stelt, zoals Blok stelt in de slotparagraaf
van het boek 'Verbeeldingskracht en het paard van Troje'.
Om twee redenen moest ik denken aan de inleiding van Umberto Eco's Theory
of Semiotics, waarin hij het verwijt pareert dat de semiotiek imperialistisch
zou zijn. Datzelfde verwijt zou Blok gemaakt kunnen worden, want ook hij
is 'grenzeloos' bezig. Eco: 'Wanneer een discipline 'alles' als zijn eigen
object ziet, en daarmee verklaart dat men zich bezig houdt met het hele
universum (en niets anders), dan speelt het een gevaarlijk spel'. Voor
Eco is duidelijk waar de semiotiek zich mee moet bezighouden, namelijk
met alles wat als teken gebruikt kan worden en dan breidt het terrein
zich vanzelf uit van de pinda, naar de pindakaas - om met Eco te spreken.
Zo is Blok ook te werk gegaan en schieten we met een tijdsmachine door
tijd en ruimte met één centrale vraag in ons hoofd: hoe
vertaal je beelden? Nee, niet imperialistisch. Ook niet betweterig. Blok
loopt allerminst met zijn eruditie te pronken. Hij had ongetwijfeld tientallen
pagina's literatuur aan zijn boek kunnen toevoegen. Dat heeft hij niet
gedaan. Zijn voornaamste bron is ongetwijfeld zijn eigen, decennialange
ervaring als kunsthistoricus. In het begin wees ik al even op het gebruik
van de 'wij'-vorm, vrij gebruikelijk in populair wetenschappelijke publicaties,
maar minder in academische publicaties. De 'wij'-vorm zoals die hier is
gebruikt, is zeker ambivalent te noemen. Ze drukt een zekere bescheidenheid
uit alsof wij allen, profs én leken, hetzelfde kunnen waarnemen.
Maar tegelijk wordt daarmee ook de autoriteit van de erudiete auteur die
eeuwen van wereldwijde beeldproductie kan overzien, bevestigd. Natuurlijk
is er die beperking van twee en driedimensionale beelden, maar dan nog
is het terrein waarop Blok zich heeft begeven, onbegrensd. Door nauwelijks
bronnen te noemen en zeker in het begin individuele en culturele verschillen
in waarneming buiten beschouwing te laten, wordt de indruk gewekt dat
er één waarheid van het kijken en visueel analyseren is.
Daarom moest ik ook aan het motto van Eco denken: 'Semiotics is in principle
the discipline studying everything which can be used in order to lie'.
Die uitspraak zet ons vermogen tot identificatie en beeldvertalen, en
onze wens om betrouwbare informatie te krijgen behoorlijk op losse schroeven
en maakt ons tegelijk onzeker. Het simpele semiotische model dat Blok
gebruikt, zonder dat de herkomst hiervan echt duidelijk wordt, wekt ten
onrechte de indruk dat communicatie tussen een zender en ontvanger rechtstreeks
en probleemloos verloopt. Eco denkt daar anders over, wat in dit motto
al tot uitdrukking wordt gebracht. Maar ook Blok realiseert zich dit als
hij in de laatste paragraaf de reacties op onvoorziene gebeurtenissen
die we niet begrijpen, noemt, namelijk waakzaamheid en verwondering. Twee
waardevolle reacties die de deur openen naar 'het gebied van de dingen
waarvan we niet wisten dat ook die mogelijk waren'. (Blok, p. 255) De
laatste zin van het boek die daarop volgt, luidt vervolgens: 'Wantrouwen
en waakzaamheid maken plaats voor de opwinding van de ontdekkingsreiziger
die een eerste glimp opvangt van het land dat nog niemand kent'. (p. 255)
Zo worden er aan het eind van het boek nieuwe horizonnen geopend, waar
onze gids zijn lezer alleen achter laat. Misschien komt die lezer/kijker
na heel wat momenten van verwondering over het onverwachte er achter dat
alles wat hij dacht zeker te weten, op een leugen zou kunnen berusten.
Dan heeft het motto van Eco zijn werk gedaan.
(naar
top pagina) | (terug
naar inhoud)
|
|