|
Samenvattingen
nummer
3 jaargang 19 2003
Kogan | de Koning
| dilettantisme
Moissey
Kogan 1879-1943
Beeldhouwer zonder thuisland
Ype Koopmans
De
Russisch-joodse beeldhouwer Moissey Kogan was tijdens de interbellumjaren
in kringen van Nederlandse beeldhouwers en andere deskundigen befaamd
om zijn werk en om zijn doen en laten. Anders dan elders heeft hij hier
nog steeds een naam als een klok. In haast alle overzichten van de Nederlandse
beeldhouwkunst sinds de jaren dertig komt hij voor. De enige meer omvattende
publicatie over Kogan tijdens zijn leven is ook van een Nederlander, de
dichter en kunstcriticus Jan Engelman (1900-1972). Leermeester werd hij
voor Frits van Hall (1899-1945), Jan Havermans (1892-1964) en Jan Meefout
(1915-1993), jonge Amsterdamse beeldhouwers die daarvan niet uitsluitend
door hun werk getuigen. Andere kunstenaars die hem bewonderden en zijn
werk pushten en verzamelden waren de schilder en criticus Kasper Niehaus
(1889-1974) en de beeldhouwers Jan Bronner (1881-1972), Mari Andriessen
(1897-1979), Hildo Krop (1884-1970), John Rädecker (1885-1956) en
Han Wezelaar (1901-1984). In 1939 schonken zij een naaktje van Kogan aan
het Stedelijk Museum in Amsterdam, waar het naast andere werken van zijn
hand te zien was op de invloedrijke tentoonstelling Rondom Rodin. Honderd
jaar Fransche Sculptuur.
Werd Kogan voor de Tweede Wereldoorlog gerekend tot de belangrijkste vertegenwoordigers
van de Franse neoclassicistische beeldhouwkunst, op grond van zijn vroegste
ontwikkeling wordt hij in enkele recente studies voornamelijk als Duits
kunstenaar gebracht. En ook voor zijn relatie met Nederland - waar hij
in 1924, 1928 en 1933-1936 woonde - is afgezien van zijn contact met de
plattelandsarts en verzamelaar Hendrik Wiegersma (1891-1969) weinig aandacht.
Kogan zou Nederland in 1924 voor het eerst hebben bezocht als invité
van de Nederlandse schilder Otto van Rees (1884-1957), die hij sinds 1912
uit Parijs kende, en deze zou hem bij Wiegersma hebben geïntroduceerd.
Het voorval werd een decennium na dato opgetekend door de kunstcriticus
Albert Plasschaert (1874-1941) en heet sindsdien Kogan eerste bezoek aan
Nederland geweest te zijn, maar verondersteld kan worden dat hij hier
al eerder was. Het is tenminste opvallend dat er in zijn Nederlandse vriendenkring
nogal wat mensen waren die vanaf halverwege de Eerste Wereldoorlog te
maken hebben gehad met een kunstenaarscommune in Meerhuizen, een bouwvallig
herenhuis even buiten Amsterdam. De spil van Meerhuizen was vanwege zijn
gastvrijheid de joodse kunsthandelaar Jack Vecht (1886-1965). Zijn relatieve
rijkdom dankte Vecht aan Eduard von der Heydt, een Duitse bankier die
sinds 1915 in Nederland woonde. Aan het eind van de oorlog had Vecht de
hand weten te leggen op de zogenaamde Yi Yüan-collectie, een belangrijke
verzameling Oost- en Zuid-Aziatische beelden, die hij in 1919 in haar
geheel aan Von der Heydt wist door te verkopen. Vecht was vervolgens door
Von der Heydt aangesteld als directeur van zijn eigen Museum Yi Yüan
aan de Keizersgracht in Amsterdam. Van 1920 tot 1923 was Kogans Duitse
vriend Karl With (1891-1961) hiervan conservator. In 1922 werd Jiod gepubliceerd,
een bibliofiele uitgave van een gedicht van With. Deze bundel met gesigneerde
houtdrukken van Kogan is opgedragen aan Von der Heydt en is uitgegeven
door het museum. Het nauwelijks voorstelbaar dat Vecht er niets mee te
maken heeft gehad.
Vecht hield 's avonds voorafgaand aan de sabbat wekelijks open huis. Men
trof dan boven bij hem altijd een bont gezelschap van mensen die op de
een of andere manier iets met kunst te maken hadden. Mede daardoor staat
Meerhuizen tegenwoordig bekend als een broedplaats van de toenmalige Amsterdamse
intellectuele en artistieke avant-garde. Tot de bewoners behoorden Rädecker
en Niehaus, die al voor de oorlog in Parijs was geweest en getuige zijn
kunstkritieken toen Kogan al weleens ontmoet zal hebben. Tot de bezoekers
behoorden verder de expressionistische graficus Havermans en ook With
stond in contact met deze groep, van wie hij in zijn autobiografie Havermans,
Vecht en Rädecker noemt. Hoewel enkele van de mooiste bekende werken
van Kogan afkomstig zijn uit Vechts privé-collectie komt Vecht
in de al genoemde publicaties alleen terloops ter sprake, als een van
Kogans logeeradressen in de jaren dertig en vanwege een tentoonstelling
die deze in 1932 van zijn werk organiseerde, terwijl hij aantoonbaar al
veel eerder met hem in contact gestaan heeft. Hij bezocht hem bijvoorbeeld
halverwege de jaren twintig met Rädecker in Parijs, bij welke gelegenheid
Kogan hen in het joodse uitgaansleven en bij Marc Chagall introduceerde.
De naam van Rädecker komt vreemd genoeg helemaal niet voor in de
Kogan-literatuur; toch werden Vecht en hij in 1939 door Kogan gerekend
tot zijn voornaamste verzamelaars in Nederland.
Kogans eerste tentoonstelling in Nederland vond plaats in september-oktober
1924, bij de galeriehouder Herman d'Audretsch (1872-1965) in Den Haag.
D'Audretsch was een leeftijdgenoot van Kogan en had al voor de Eerste
Wereldoorlog zijn sporen in de Parijse kunsthandel verdiend. Ook Krop
en Rädecker hebben in de periode nadien regelmatig bij hem geëxposeerd,
evenals vooruitstrevende Franse beeldhouwers als Czaky, Maillol en Zadkine.
Opvallend aan alle Kogan-literatuur is dat er nooit iets gezegd wordt
over diens politieke activisme. In Amsterdam maakte hij evenals de meeste
Nederlanders uit zijn kennissenkring dertig deel uit van de Bond van Kunstenaars
ter Verdediging van de Kulturele Rechten (BKVK), een vereniging die ter
rechterzijde beschouwd werd als een communistische mantelorganisatie.
Het is tegen het decor van de vooroorlogse joodse en politiek-linkse milieus
dat Kogan zijn netwerk door Groot-Mokum vlocht. Een centrale positie namen
daarbij de partijcommunisten Van Hall en Havermans in, die als woon- en
atelierruimte een oude pastorie onder de rook van Amsterdam deelden, waar
ook Kogan in de jaren dertig gewerkt heeft. Veel langer en vermoedelijk
ook veel vaker moet Kogan van het atelier van Krop gebruik hebben gemaakt,
waar hij zoals aangestipt een deel van zijn mallen - noodzakelijk voor
zijn levensonderhoud - had ondergebracht. Hildo en Mien Krop zijn later
ontmaskerd als informanten van de Russische spionagedienst GPOe (de latere
KGB). Evenals hun zwager d'Audretsch - Kogans galeriehouder - verschaften
ze onderdak aan communistische infiltranten uit het Oostblok. Vanwege
zijn rol als kunstenaar en als actievoerder werd Kogan in juli 1945 als
enige buitenlander opgenomen in de tentoonstelling Kunst in het harnas
in het Stedelijk Museum, gewijd aan het Nederlandse kunstenaarsverzet.
(naar top pagina) | (terug
naar inhoud)
Amnesie
en anamnese
Over Krijn de Koning
Sven
Lütticken
Bij
Krijn de Konings site-specifieke installaties dringt zich de vergelijking
op met kunstenaars als Daniel Buren en Michael Asher, die rond 1970 de
tentoonstellingsruimte in hun werk betrokken. De kunst werd voor een belangrijk
deel reflectie op haar context: de white cube van museum en galerie, maar
ook alle andere plekken waar kunst werd getoond, werden door deze kunstenaars
aan een onderzoek onderworpen. De Konings werk is veel minder dan dat
van bijvoorbeeld Buren (bij wie hij heeft gestudeerd) expliciet gericht
op het onttoveren, op het demystificeren van de kunstcontext. De ideologische
scherpte van de kunst uit de jaren zeventig is vervlogen. Dat wil niet
zeggen dat De Koning niet analytisch is, maar dat zijn werkwijze indirecter
en meer historisch van aard is. Meer dan een institutioneel criticus is
De Koning mijns inziens een archeoloog. Op de sites waar hij werkt, pelt
hij tijdslagen weg en voegt er nieuwe aan toe.
Zijn werktuigen zijn simpel, en bekend uit de minimalistische traditie:
rechthoekige wanden, vloeren en volumes van gipsplaat, spaanplaat of hout,
beschilderd in heldere kleuren. Het effect daarvan is bij De Koning echter
zelden helder, overzichtelijk en minimalistisch. Met werken als zijn installatie
in kunstcentrum Begane Grond (2001) maakt De koning - als een soort bouwvakker
from hell - de ruimte in plaats van overzichtelijker en handiger juist
minder gemakkelijk te navigeren en te begrijpen. Zijn installaties hebben
soms, in de letterlijke zin des woords, iets onmenselijks. Zij lijken
al niet gebouwd te zijn door leden van enige herkenbare beschaving, maar
hun onfunctionele eigenschappen zijn soms dermate opgevoerd dat ze een
soort sciencefictionkarakter krijgen en meer doen denken aan de monoliet
in 2001: A Space Odyssey dan aan de meeste minimal art. De structuren
hebben geen herkenbare functie en bestemming. Wie deelt een ruimte zo
volkomen irrationeel in als de vloer van Begane Grond, met tal van onhandige
niveauverschillen en vreemde doorgangen?
Bas Heijne heeft gewezen op het belang van de ruïne voor De Konings
werk: ruïnes zijn menselijke bouwwerken die weer door de natuur zijn
overgenomen; in de (proto)romantische cultuur waren ze een geliefd onderwerp
om te mijmeren over tijd en vergankelijkheid. Ruïnes werden in landschapstuinen
ook kant en klaar als follies neergezet, als simulatie van een ver verleden.
Volgens Heijne is De Konings bouwsel in een Hilversums bosje (1999) een
omgekeerde ruïne: niet de natuur maakt zich meester van het bouwwerk,
maar het bouwwerk dringt door in de natuur. Bij veel grootschalige projecten
in de moderne era is de natuur inderdaad tot ruïne gedegradeerd;
een boom die nog resteert van een landschap dat is bebouwd. Net als ruïnes,
waarin bij uitstek de tand des tijds zichtbaar wordt, zijn ook de werken
van De Konings tijdsstructuren, maar niet het werk zelf is de ruïne;
het maakt zijn context tot ruïne. Hun vreemdheid, hun gebrek aan
werkelijke dialoog met de context, berooft die context van zijn integriteit
en logica. In Metz, waar De Koning in 2001 een werk realiseerde op de
binnenplaats van een vervallen hôtel, reageerde hij op een echte
ruïne, zij het een die nog niet door planten is overwoekerd: de nieuwe
structuur drong in de oude door.
Begin 2003 realiseerde Krijn de Koning een tentoonstelling in het Musée
des Moulages in Lyon, die in een aantal opzichten een vreemde eend in
de bijt van zijn oeuvre lijkt. Het museum bevat in een gerestaureerde
fabriekshal de in de late negentiende eeuw opgerichte collectie gipsafgietsels
van Antieke (en enkele Middeleeuwse en Renaissancistische) sculpturen.
Dergelijke collecties waren ooit een prominent onderdeel van de Europese
cultuur, maar in de twintigste eeuw werden ze in toenemende mate als anachronismen
gezien, en vaak vernietigd. Ook de collectie in Lyon is lange tijd verwaarloosd,
en in de jaren zestig zijn de meeste beelden, die door stof vuil waren
geworden, op een slordige en grove manier met witte verf overgeschilderd.
De Koning rangschikte de gipsafgietsels in diverse dicht op elkaar gepakte
ensembles; tussen deze groepen liepen paden die werden afgebakend door
gekleurde wanden van gipsplaat. Net als in Metz was er sprake van een
werkelijk ruïneuze context: die van een lange tijd verwaarloosde
collectie. Door de beelden zonder wetenschappelijke logica op elkaar te
pakken, ze tot een soort gipsen bomen en struiken te reduceren, werd wederom
de vreemdheid tussen De Konings structuur en de context benadrukt. De
Koning wil de context niet actualiseren, begrijpelijk maken, interessant
maken, zoals veel installatiekunstenaars die worden ingehuurd om ergens
'een ingreep te plegen'; eerder het tegendeel.
De ruïne werd door Walter Benjamin gezien als een van de punten waarop
de barok en de romantiek elkaar ontmoeten; de ruïne speelde ook een
belangrijke rol in Benjamins analyse van het treurspel in de Duitse barok,
aangezien deze theaterstukken sterk allegorisch zijn en de allegorie 'in
het rijk van de gedachten' is wat de ruïne 'in het rijk van de dingen'
is. De clash tussen De Konings structuren en hun omgeving wijst voorbij
de beperkingen van de allegorie van de Duitse barokdichters, die enerzijds
melancholiek gefixeerd bleef op de betekenisruïnes waar zij mee werkte,
en die anderzijds onderschikt maakte aan christelijke moralisering. De
Koning maakt montages, dialectische beelden van ruïnes en nieuwe
structuren die suggereren dat er iets is aan gene zijde van allegorische
rouw. Tegelijkertijd suggereren ze echter dat dit aan gene zijde voor
ons niet werkelijk te vatten is; de structuren zijn daarvoor te vreemd,
te onlogisch, te slecht te bevatten voor onze geest.
(naar
top pagina) | (terug naar inhoud)
Dilettantisme
als levenshouding
Maarten van Buuren
Dilettantisme
maakt, samen met termen als decadentisme en nervosisme, deel uit van een
uitgelezen vocabulair waarin de mentaliteit van het fin-de-siècle
zich verdicht. Maar de preciese betekenis van dilettant is al net zo onduidelijk
als de andere termen die het abc van het fin-de-siècle vormen.
In Frankrijk zijn enkele studies aan dit begrip gewijd, maar ze beperken
zich tot het Franse taalgebied en tot een periode van enkele tientallen
jaren. In mijn zoektocht naar oorsprong en ontwikkeling van het begrip
stuitte ik op de Engelse Society of Dilettante, die aan het begin van
de 18e eeuw als eerste inhoud gaf aan het moderne gebruik van dit woord.
Walter Pater nam de term van hen over en werkte het in het tweede deel
van de 19e eeuw naar eigen inzicht uit. Volgens Pater belichaamde de dilettant
de esthetica die hem voor ogen stond. Dilettant was voor hem een kunstenaar
die zijn artistieke (en levens-) ervaring baseert op vluchtige zintuiglijke
indrukken; hij voegt die impressies samen tot een 'Mood', die ze een harmonische,
artistieke eenheid verleent. Dit artistieke geheel biedt, door zijn conserverende
werking, de oplossing voor het probleem van de vergankelijkheid dat zwaar
weegt op Paters kunstleer. Dilettantisme hangt nauw samen met andere kernbegrippen
uit Paters esthetica: de 'bricolage' of 'montage' en het 'essay' dat volgens
Pater in literair opzicht dezelfde functie vervult als andere dilettantische
kunstwerken. Zij vormen de sleutelwoorden van wat je Paters esthetica
van het dilettantisme mag noemen.
In de laatste decennia van de 19e eeuw brengen Paul Bourget en Maurice
Barrès het dilettantisme in verband met het 'decadentisme'. Dilettantisme
vormt voor hen minder de kern van een esthetica, dan van een ethiek die
berust op de sceptische, begrijpende houding van een waarnemer die zich
voor alles interesseert, maar zich nergens mee inlaat. Zowel Bourget als
Barrès coquetteren aanvankelijk met dat begrip en identificeren
zich ermee. Dilettant is de vorm die zij geven aan hun 'Ik-cultus', zoals
de titel luidt van de trilogie, waarmee Barrès debuteert. Maar
naarmate ze ouder worden reageren beiden kritischer en associëren
ze de dilettant meer en meer met de negatieve aspecten van de décadence.
Van die dilettantistisch-decadentistische combinatie distanciëren
ze zich nadrukkelijk. Op zeker moment is het dilettantisme voor hen verworden
tot impotentie, principeloosheid, ontheemding en vaderlandloosheid. Tegenover
dit complex van ontaarding stellen zij, in hun vaderlandslievende romans,
anti-dilettantistische helden die uitblinken door hun nationalisme, hun
katholicisme en de worteling in hun geboortegrond. In deze helden tekent
zich de toekomstige bloed-en-bodem ideologie af. Verschil tussen Barrès
en Bourget is wel dat Barrès het dilettantisme als artistiek begrip
in ere herstelt en herinnert aan waarden waarop Walter Pater eerder de
nadruk had gelegd: het belang van vluchtige zintuiglijke impressies, auto-reflexiviteit
en bricolage.
Overigens moet de dilettant volgens mij niet in de eerste plaats met het
fin-de-siècle worden geassocieerd. Naar mijn mening formuleerden
Pater, Bourget en Barrès principes waar ze zelf niet onverdeeld
achter stonden, en die pas werkelijk tot bloei kwamen in de eerste decennia
van de twintigste eeuw in het werk van Paul Valéry, André
Gide, Marcel Proust en Robert Musil, kortom in het werk van de modernisten.
Dilettantisme is dan ook een treffender kenmerk van het modernisme dan
van het fin-de-siècle.
(naar
top pagina) | (terug naar inhoud)
|
|