|
Samenvattingen
nummer
3 jaargang 18 2002
Rädecker en Van Eyck | Ket
en Van Lier | Russische avant-garde | Van
den Bosch en Stoltz
John Rädecker
en P.N. van Eyck (deel 1)
Ype Koopmans
Ype Koopmans (1955) is conservator negentiende- en twintigste-eeuwse
kunst bij de Gemeentemusea Arnhem.
De Nederlandse beeldhouwer John Rädecker (1885-1956) werd tijdens
zijn leven gezien als de ster van zijn generatie en ook als de enige die
aanspraak kon maken op internationale betekenis. Dit oordeel is in retrospectief
sluitend gebleken, wat zijn vroege contact met de dichter Pieter Nicolaas
van Eyck (1887-1954) interessant maakt. Hun kunstenaarschap was verwant,
is de invalshoek van dit artikel. Daarnaast, meer terloops, het zich hiermee
moeizaam verhoudende beeld van de halfanalfabete primitief dat Rädeckers
biograaf Bram Hammacher (1897-2002) van hem heeft geschetst.
Rädecker heeft altijd veel contacten onderhouden met dichters en
schrijvers. Een van zijn beste vrienden was de dichter Adriaan Roland
Holst, die hij ook om zijn verzen apprecieerde. Na de Tweede Wereldoorlog
schakelde Rädecker Roland Holst in als tekstdichter bij zijn chef
d'oeuvre, het Nationaal Monument in Amsterdam. Rädecker, Van Eyck
en zijdelings ook Roland Holst maakten vanaf 1916 deel uit van De Nieuwe
Kring, een gezelschap van beeldende kunstenaars en letterkundigen dat
geïnspireerd werd door een neo-religieus gemeenschapsideaal. Zij
kritiseerden de moderne samenleving en de vermechaniserende wereld en
predikten een levenshouding die gebaseerd was op zelftucht en bezinning.
Overeenkomstig dit ideaal leidden zij een boerenbestaan in het Noord-Hollands
duin- en weidegebied in de omgeving van Bergen, toen als kunstenaarskolonie
in opkomst. Rädecker sloot destijds in zijn beeldhouwwerken en houtsneden
aan bij uiteenlopende voorbeelden van buiten-Europese kunst en bij het
'gotisch vormgevoel' van de toenmalige Duitse expressionisten. De schilders
van het gezelschap, onder wie Henri ten Holt en Jaap Weijand, bij het
werk van de kunstenaars van Der Blaue Reiter als Franz Marc en Wassilly
Kandinsky. Zij zochten hun onderwerpen evenals hun Münchense voorbeelden
in een veelal bijbelse thematiek.
Een van de meest kenmerkende krachten van hun expressionisme was het idee
van kosmische solidariteit. Hieruit valt de sympathie voor de christelijke
en mystieke kunst en voor haar motieven, en voor de kunst van cultuurlozen
en primitieven te verklaren. Deze gezindheid werd mede beïnvloed
door schrijvers als Dostojewski en Tolstoj - waarvan Van Eyck een kenner
was, en die ook door Rädecker werden gelezen - met hun ideeën
over de mystieke kracht van het geloof, bevrijd van het verstand. Zelf
maakte Rädecker zonder de toenmalige kerkelijke zoetsappigheid Monniken,
Madonnabeelden en Redontieke Gevallen Engelen en na de Eerste Wereldoorlog
sneed hij tot twee maal toe een Johannes de Doper, waarvan hij er een
aan Van Eyck verkocht. Toch kan men zich afvragen of hij zich nu wezenlijk
geïnteresseerd heeft voor de inhoud van het Journaal van den Nieuwen
Kring, of voor daarmee verband houdende publicaties over kunst en
mystiek van de letterkundigen Pieter Talma en Charles Wijnschenk. Onder
invloed van de laatsten was er tijdelijk ook bij Van Eyck sprake van een
mysticiserende tendens, die echter niet representatief is voor zijn verdere
oeuvre. Al omstreeks 1917 heeft zowel Rädecker als Van Eyck afgehaakt.
Met Roland Holst behoorde Van Eyck tot het geslacht dat in de Nederlandse
literatuurgeschiedenis bekend is geworden als postsymbolistisch en hij
was daarvan de woordvoerder. Enigszins als reactie op de vereenvoudigingscultuur
en het dienende karakter der gemeenschapskunst van de religieus-socialistische
dichteres Henriëtte Roland Holst - Adriaans tante - en de piëtistische
theorieëngrauwheid van Talma en Wijnschenk sloten zij zich aan bij
het estheticisme van schrijvers als Willem Kloos en Lodewijk van Deijssel.
Maar waar deze late negentiende-eeuwers het persoonlijke leven aan hun
schoonheidsideaal ondergeschikt maakten, verlangden de jongeren naar een
bezielde retoriek, een grootse, meeslepende 'droom van fel, schoon en
heerlijk leven'. Met een nieuwe generatie beeldende kunstenaars en architecten
deelden zij hun verlangen naar het regressieve, naar ontsnapping in een
wereld van mythen en sagen. Zij waren gefascineerd door de psychologie
van het onbewuste, droomsymboliek en door de godenverhalen van uiteenlopende
volkeren en culturen. Net zoals voor Van Eyck en Roland Holst was de antieke
symbolenwereld voor Rädecker een van de voornaamste reagerende elementen,
samen met het boven de wereld bestaande dat zij terugzagen in de onmetelijkheid
van de natuur. Een aspect van dat laatste is de spinozistische instelling
van Van Eyck. Vanaf het midden van de negentiende eeuw stonden de geschriften
van Spinoza in Nederland sterk in de belangstelling en ontstond een meer
mystieke en eclectische interpretatie van enkele van diens hoofdstellingen,
waartoe speciaal schrijvers zich aangetrokken voelden. God was voor Spinoza
immanent, in plaats van bovenzinnelijk, hetgeen voor kunstenaars een kentering
in hun denken betekende. Ook Rädecker las Spinoza en hij boetseerde
in 1945 diens portret. Van Eyck kocht daarvan een afgietsel en schreef
er een gedicht over. Ten slotte komt Van Eyck als Rädeckers eerste
grote verzamelaar en promotor aan bod. Vanaf 1919 woonde Van Eyck in Londen.
Hier bracht hij het werk van Rädecker onder de aandacht van een toenmalige
Hollandse kolonie, waaronder enkele rijke collectionneurs. Dit deel is
tevens bedoeld als opmaat tot het vervolg van dit artikel, de publicatie
van een aantal brieven van Rädecker aan Van Eyck in Jong Holland,
18 (2002) nummer 4.
(naar top pagina) | (terug
naar inhoud)
Een briefwisseling tussen Dick Ket en Carel van Lier
Alied Ottevanger
Alied
Ottevanger (1955) is conservator moderne kunst bij het Rijksbureau voor
Kunsthistorische Documentatie in Den Haag.
Dick Ket (1902-1940) was misschien wel een van de beste briefschrijvers
onder de Nederlandse kunstenaars van de twintigste eeuw. Er zijn ruim
1000 brieven van hem bewaard waarvan een kleine selectie is gepubliceerd.
De brieven die de correspondenten aan hem schreven zijn helaas tijdens
de Tweede Wereldoorlog verloren gegaan. Het is daarom des te verheugender
dat de tekst van twee brieven van de kunsthandelaar Carel van Lier (1897-1945)
aan Ket overgeleverd is. De eerste brief is geciteerd in brieven aan anderen
en de tekst van de tweede is via een doorslag en via een afschrift bekend.
In zijn eerste brief, van eind september 1932, toont Van Lier belangstelling
in Kets werk. De interesse bleek wederzijds. Ket wilde graag bij Van Lier
exposeren omdat zijn Kunstzaal gespecialiseerd was in het presenteren
van nieuw-realistische schilderkunst waartoe hij ook zijn eigen werk rekende.
Omdat Ket door zijn hartziekte en neuroses niet van huis kon om naar Kunstzaal
van Lier in Amsterdam te reizen, zocht de kunsthandelaar Ket in Bennekom
op. Ze bleken elkaar goed te liggen, ook op het persoonlijke vlak.
Rond de jaarwisseling 1933-1934 organiseerde Van Lier een eenmanstentoonstelling
van Kets werk die een enorm succes werd. Na deze expositie werd Ket steeds
kritischer ten opzichte van zijn werk. Bevangen door de vrees zijn stijl
en kunst niet verder te kunnen ontwikkelen, zette hij te veel verschillende
schilderijen op waaraan hij voortdurend bleef werken. Tegenover Van Lier
maskeerde hij deze angsten door te wijzen op zijn lichamelijke gebreken
die hem in toenemende mate bij zijn werk zouden hinderen. Van Lier keek
hier echter dwars doorheen. Na een bezoek op Kets atelier in oktober 1934
schreef hij hem een bemoedigende brief waarin hij de onrust bij Ket probeert
te bedwingen door hem op zijn grote artistieke kwaliteiten en overtuiging
te wijzen. De brief verraste Ket. Hij had het inzicht in de oorzaken voor
zijn chaotische en twijfelende manier van werken graag voor zichzelf gehouden.
In zijn antwoord probeerde hij dan ook enige afstand in hun verhouding
in te bouwen.
(naar
top pagina) | (terug naar inhoud)
De Russische avant-garde
Geurt Imanse
Geurt Imanse (1953) is hoofdconservator schilder- en
beeldhouwkunst in het Stedelijk Museum Amsterdam.
De recent gehouden tentoonstelling The Russian Avant-Garde Book 1910
- 1934 (MOMA New York 2002 en reizend) is exemplarisch voor wat er
sinds de grote overzichtstentoonstelling van Russische avant-garde De
Grote Utopie. De Russische avant-garde 1915 - 1932 (Frankfurt
a/M, Amsterdam, New York 1992) is gebeurd: de tijd van overzichten is
voorbij en het is nu tijd voor verdieping in verschillende deelgebieden.
Zo heeft het Staats Russich Museum in St. Petersburg de taak op zich genomen
de kennis aangaande Malevich te vergroten. Niet alleen publicerde het
museum een bijna voorbeeldige catalogus van het oeuvre van Malevich in
zijn collectie, waarin met name het late, postsuprematistische, werk preciezer
werd gedateerd, maar ook werd de relatie tot en zijn invloed op zijn leerlingen
nader uiteengezet middels een tentoonstelling en een catalogus over dat
onderwerp (Malevich's Circle. Confederates, Students, Followers in
Russia 1920's - 1950's). Daaruit blijkt dat het werk van Malevich'
medestanders, o.a. Lissitzky, zich met het eigen ouevre van de meester
kan meten. Dat van de studenten en de navolgers maar nauwelijks of niet,
althans in Westerse ogen. Door het feit dat deze leerlingen en navolgers
Malevich lang overleefden in een tijd waarin de voortbrengselen van de
Russische avant-garde taboe waren en niet toegankelijk, kregen zij een
aura die gezien hun artistieke persoonlijkheid waarschijnlijk wel terecht
was, maar zich minder terecht ook tot hun werk uitstrekte, werk dat doorgaans
toch minder krachtig is dan dat van Malevich zelf.
Dat werd niet alleen duidelijk op de gelijknamige tentoonstelling in de
dependance het Marmerpaleis van het Staats Russisch Museum in St. Petersburg
(2001/02), maar blijkt ook uit werken van Malevich' leerlingen die de
laatste jaren opduiken en ter expertise aan kenners in oost en west worden
aangeboden, al dan niet aan Malevich zelf toegeschreven. Deze werken lijken
in het gunstigste geval kopieën van schilderijen van Malevich, vooral
uit zijn kubo-futuristische periode, door leerlingen gemaakt conform Malevich'
opvatting over kunstonderwijs, een opvatting die teruggaat op de traditie
van de scholen van ikonenschilders. Qua compositie en verfbehandeling
zijn zij echter beduidend minder krachtig. In het mindere geval betreft
het vervalsingen die al in de jaren zeventig in de Sovjet-Unie werden
vervaardigd.
Het eerste nummer van het nieuwe tijdschrift 0.10. Analytical-information
bulletin of the Malevich Foundation (Moskou, 2001) geeft een aantal
voorbeelden van dergelijk recent opgedoken materiaal, een collectie werken
van klein formaat uit Tbilisi. Hoewel Andrei Makovs zeer onlangs verschenen
oeuvre-catalogus van Malevich ook een aantal schilderijen van klein formaat
afbeeldt, die Malevich en zijn leerlingen op minder officiële bijeenkomsten
vervaardigden, zijn die toch duidelijk van een totaal ander kaliber dan
de Georgische tegenhangers, die zelfs met veel fantasie toch moeilijk
voor werk van Malevich kunnen doorgaan. Het moge duidelijk zijn dat de
discussie hierover nog beginnen moet.
(naar
top pagina) | (terug naar inhoud)
Een eetkamer van Jac. van den Bosch met snijwerk van Anton Stoltz
Frank van der Ploeg
Frank van der Ploeg (1968) is kunsthistoricus
en eindredacteur van het tijdschrift kM.
De kunstnijveraar Jac. van den Bosch (1868-1948) wordt vooral geroemd
om zijn constructieve meubelontwerpen. Dat hij later ook bescheiden successen
had met ontwerpen in de Amsterdamse-Schoolstijl is minder bekend.
Jac. van den Bosch ontwierp in de beginperiode van 't Binnenhuis meubelen
in dezelfde stijl als die van Hendrik Petrus Berlage (1856-1934). De eigen
ontwerpen van Van den Bosch worden gekenmerkt door dezelfde strikte principes
als waarmee het mede door hun opgerichte 't Binnenhuis zijn doelstellingen
wilde realiseren: "eerlijk materiaalgebruik, 'zuivere' samenstelling
en versiering die door de constructie werd bepaald."
Een aantal jaren na het vertrek van Berlage in 1913 bij 't Binnenhuis
nam Van den Bosch aarzelend - mede ingegeven door economische motieven
- elementen van de Amsterdamse School over in zijn ontwerpen, een invloed
die rond 1920 manifest werd. In de geest van de Amsterdamse School ontwierp
Van den Bosch in de jaren twintig meubelen die kunnen wedijveren met die
van Piet Kramer (1881-1961) en Michel de Klerk (1884-1923). Hij bleef
echter, voor zover mogelijk, trouw aan zijn constructieve principes en
hang naar eerlijk materiaalgebruik.
In 1920 schreef Van den Bosch 'Opus 1957' bij in zijn Opusboek, een eetkamer
in opdracht van de familie De Vries Van Buuren. Het buffet, het enige
meubel van het ontwerp waarvan de huidige verblijfplaats bekend is, is
kenmerkend voor de overgang van de sobere 'redelijke' stijl naar veel
bombastischer meubelen. Het buffet en een dressoir zijn voorzien van bijzonder
houtsnijwerk van Anton Stoltz. De in coromandelhout uitgevoerde beesten
zijn zeer waarschijnlijk geheel aan het brein van deze vergeten beeldhouwer
ontsproten.
(naar
top pagina) | (terug naar inhoud)
|
|