Samenvattingen nummer 2 jaargang 19 2003 

Sint Maarten  | H.P. Berlage


Onder den Sint Maarten (1900-1941)
Peter de Rijcke

Onder den Sint Maarten is een typisch voorbeeld van een bedrijf zoals dat aan het eind van de negentiende eeuw uit een huiselijke werkplaats kon ontstaan, om vervolgens, gestimuleerd door de economische voorspoed van die periode, in enkele jaren tot een van de grote meubelfabrieken in Nederland uit te groeien. Een ontwikkeling overigens die onmogelijk zou zijn zonder het grootschalig beschikbaar komen in die tijd van gas en elektriciteit voor energievoorziening en verlichting.
Bouwkundig ingenieur Johan Adam Pool jr. (1872-1948) begon rond 1899 thuis in Zaltbommel met het maken van eenvoudige maar smaakvol vormgegeven meubelen. Na een bezoek aan de wereldtentoonstelling van 1900 in Parijs, waar hij onder de indruk raakte van de Engelse Arts & Crafts-producten, kwam hij opnieuw in contact met zijn vroegere leraar aan de Polytechnische School in Delft, Th.K. Sluyterman (1863-1931). Op diens initiatief richtte Pool nog in datzelfde jaar officieel een fabriek op. Sluyterman was tot 1903 de belangrijkste ontwerper van meubelen en koperwerk voor Onder den Sint Maarten en bleef tot zijn dood adviseur van Pool. Via hem kwam Pool ook in contact met de idealistische kunstnijveraar W.C. Hoeker (1862-na 1906), directeur van de op socialistische grondslagen opgerichte fabriek voor kunstnijverheidsproducten Amstelhoek, waar modern vormgegeven keramiek, meubelen en metaalwerk werd gemaakt. Sluyterman was in de jaren negentig artistiek adviseur voor de Amsterdamse juweliersfirma Hoeker & Zoon geweest, een bedrijf met vele progressief-artistieke contacten, waaronder de toen nog onbekende architect H.P. Berlage (1856-1934), en bovenal een bedrijf van waaruit vernieuwing van de Nederlandse kunstnijverheid werd gepropageerd. Pool en Sluyterman zagen in dat de eenvoudsvormgeving van Willem Penaat (1875-1957), ontwerper van meubelen bij Amstelhoek, uitermate geschikt was voor de machinale productie (in oplage) die hen voor ogen stond en namen veel van zijn modellen als voorbeeld voor 'eigen' ontwerp en uitvoering. Maar niet alles was pikwerk. Pool had vanaf het vroege begin onmiskenbaar een neus voor talent. Zo begonnen de min of meer bekende ontwerpers J.W. de Graaff (1876-1936), T. Landré (ook publicist), D. van Dorp (geb. 1871), J.C. Stoffels (1878-1952) en J.A. Muntendam (1882-1938) hun carrière in (overigens anonieme) dienst bij Onder den Sint Maarten. Pool nam in het voorjaar van 1902 de meubelfabriek van Amstelhoek in Haarlem over, toen dat bedrijf in moeilijkheden verkeerde als gevolg van slecht financieel beleid en het vertrek van zijn belangrijkste ontwerpers. Amstelhoek-ontwerper J.C. Stoffels leverde dat jaar zijn eerste metaalontwerpen voor Onder den Sint Maarten, waarvan vooral de klokken tot de blijvende faam van de firma hebben bijgedragen. In binnen- en buitenland wist Pool belangstelling te wekken door deelname aan en het behalen van een zilveren medaille tijdens de Eerste internationale tentoonstelling voor moderne decoratieve kunst, die in 1902 plaatsvond in Turijn. In de zomer van het volgende jaar kreeg hij veel landelijke aandacht door een spraakmakende presentatie op de Tentoonstelling van Moderne Toegepaste Kunst in Arnhem. De bouw van een nieuwe fabriek met aparte toonkamers in Haarlem in 1903 en het openen van winkels in Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Haarlem gedurende de volgende jaren maakte Onder den Sint Maarten een van de grote interieurfirma's in Nederland. Een status die tot in de jaren twintig behouden bleef. De korte tijd tussen 1900 en 1906 waarin eenvoudskunst werd nagestreefd, blijkt achteraf in artistiek opzicht de meest interessante periode van het bedrijf te zijn geweest. Na 1906 begon de publieke belangstelling voor deze vorm van constructieve Nieuwe Kunst af te nemen, ten gevolge waarvan Pool uit economische motieven koos voor de productie van met name chic bevonden Engelse historiserende stijlen, die toen populair werden. Tot na de eerste wereldoorlog wist hij daarmee een succesvolle bedrijfsvoering in stand te houden, maar de beurskrach van 1929 bewerkstelligde het einde. In 1936 werd de fabriek in Haarlem gesloten en in 1941 volgde de volledige opheffing van het bedrijf.

(naar top pagina)  |  (terug naar inhoud)






H.P. Berlage als 'fellow-traveller'
Een reis naar Sovjet-Rusland in 1929
Lieske Tibbe

Architect H.P. Berlage (1856-1934) bracht op hoge leeftijd, in 1929, nog een bezoek aan Sovjet-Rusland. Zijn bezoek stond in het teken van de socialistische opvattingen over architectuur en maatschappij die hij zijn hele loopbaan had uitgedragen. Vooral in 1917-1918, toen men in Nederlandse architec-tenkringen zeer begeesterd was door de Russische Revolutie, en in de daaropvolgende jaren, publiceerde hij over zijn idealen in commu-nistische en socia-listische bladen. Hij voor-zag een nieuwe maatschappij, waarin een 'architectuur der gemeen-schap' zou ontstaan, gekenmerkt door verantwoorde, genor-mali-seerde een-heids-bouw en bekroond door een groot open-baar gebouw als materiële en symbolische uitdrukkingsvorm van die gemeenschap.
In 1929 had Berlage in partijpolitiek opzicht geen sympa-thie meer voor het communisme. Toch koes-terde hij nog grote ver-wachtingen ten aanzien van Sovjet-Rusland, vooral op het gebied van de architectuur. Het nog primitieve, maar begaafde en krachtige Russische volk zou aan de cultuur van het uitge-bluste Europa een nieuwe impuls kunnen geven.
Deze verwachtingen ten aanzien van het nieuwe Rusland waren voor Berlage --- en veel andere kunstenaars en architecten - het motief om zich aan te sluiten bij het Genootschap Neder-land-Nieuw Rusland, een vereniging die tot doel had de cultu-rele contac-ten tussen Nederland en de Sovjet-Unie te bevorde-ren. Naast het uitgeven van een tijdschrift, <I>Nieuw Rusland<I>, was het organiseren van een studiereis naar Rusland een van de middelen daar-toe. De organisa-toren probeerden de deel-name van Berlage zoveel mogelijk propagandistisch uit te buiten.
Berlage maakte deze reis in gezelschap van zijn broer en acht andere reisgenoten. De politieke signatuur van het gezelschap varieerde van zéér sympathiserend met het Sovjetbe-wind- tot afwijzend en kritisch. Twee leden van het reisge-zel-schap, de secretaris van Nederland-Nieuw Rus-land en organi-sa-tor van de reis A. Prins, en de reporter en tekenaar H.C. Pieck, waren naar later bekend werd mogelijk ook actief als geheim agent voor Rusland. Een reis naar de Sovjet-Unie gold in 1929 nog als een bijzondere en gewaagde onderneming; zes leden van het gezelschap, onder wie Berlage, voelden zich daarom geroepen om hun bevindingen op schrift te stellen. Tussen de pro-bolsjewistische en de kritische verslagen neemt dat van Berlage een tussen-positie in: hij onthield zich van expliciete kritiek, maar maakte ook geen propaganda voor de model-instellingen die men tijdens de reis bezocht. Hij con-centreerde zich op zijn vakge-bied, de archi-tectuur. Deze inspireerde hem tot een serie tekeningen van typerende histo-rische bouw-werken.
Berlage werd in Rusland, zoals veel intellectuele kop-stukken uit het Westen, onthaald als een echte 'fellow-travel-ler'. In Moskou hield hij een lezing over Neder-landse archi-tectuur, die veel bijval en publiciteit oogstte. Na zijn terugkeer gold hij een tijdlang als 'Rusland-expert', vooral door de vele lezin-gen die hij hield over zijn reis. Een op reis gemaakt hooggestemd sonnet 'Aan de Wolga' werd meermalen gepubli-ceerd. Berlage toonde zich gevleid maar probeerde wel tegen te gaan dat zijn naam gebruikt werd voor communistische propagan-da. Aan zijn idealistische visie om-trent de heilzame rol van Rusland voor de Westerse cultuur bleef hij vasthouden, blij-kens uit-spraken uit zijn laatste levensjaren.
(naar top pagina)  |  (terug naar inhoud)